Grote beurt 4: PéTé

by bobsbrains

De discrepantie tussen mijn daadwerkelijke sportieve prestaties en fanatisme is aanzienlijk. Ik ben eerder een gedreven dieseltje zonder aanleg. En bovendien motorisch eigenlijk gewoon gestoord. Mijn fanatisme is waarschijnlijk een onbewuste reactie op mijn volstrekt passieve eerste levensjaren. Zodanig zelfs, dat mijn vader zich op een onbewaakt ogenblik hardop heeft afgevraagd of ik niet mogelijk een chromosoompje te veel had. Nadat mijn moeder op dat soort “nonsens!” de doodstraf had gezet heeft hij zich op dat vlak verder van ieder commentaar onthouden .

Vooral op sportief vlak is het is voor mij altijd noodzaak geweest een doel voor ogen te hebben: begonnen met de Oldambt schaatsrit op mijn 10e (die ik enkel heb volbracht door 19 van de 20 kilometer aan de beschermhoes van mijn vaders’ noren te zijn voortgetrokken, wat ik bij  het in ontvangst nemen van de medaille gemakshalve alweer was vergeten). Gevolgd door een roeitocht van 100 kilometer met meer blaren op mijn achterwerk dan een gemiddelde vensterbank in een hittegolf. En tenslotte mijn ultieme meisjesdroom: De Marathon van New York, de slechte uitkomst waarvan ik tot op heden niet wijt aan mijn conditie maar aan het feit dat ik tussendoor “minstens vijfenveertig minuten”  in de rij heb moeten staan voor een pleecabine, vurig wensend dat ik bij een volgende marathon een jongetje mocht zijn. Overigens valt die ervaring in het niet bij alle deelnemers die zichzelf dankzij orkaan Sandy afgelopen weekend gedegradeerd zagen van beoogde Haile Gebrselassie tot noodgedwongen ramptoerist.

Vanwege nieuwe IVF-pogingen heb ik uiteindelijk alle naar sportiviteit neigende activiteiten in één klap de halt toegeroepen. Vanaf de seconde dat er op ingenieuze wijze een micro-vlo in mij was gekatapulteerd bevroor ik. Men had mij daar al voor gewaarschuwd, maar ik was er heilig van overtuigd mij dat nooit zou overkomen. Ik was daar immers veel te nuchter voor en iedere psychische bevlieging die daarnaar neigde zou ik dus met gemak kunnen overwinnen. Helaas.  Het liefst was ik in de weken die volgden plat op bed gaan liggen om de zuignap geen enkele gelegenheid te bieden om als een meteoor weer neer te denderen.

Toen mijn maatregelen uiteindelijk alsnog onsuccesvol bleken en ik dat nieuws weer enigszins te boven was, heb ik het roer omgegooid. Voor mij nooit meer passiviteit, geen onrechtmatig slap buikje, geen cellulitis billen, geen plofhoofd. Kortom, een nieuw doel op fysiek gebied: een strak mokkel worden, een lelieblanke Halle Berry “Die Another Day” vertoning. Dat dat er in feite uitziet als een spierwitte lachebek met een kleine cup B in plaats van een stomend sekssymbool doet volstrekt niet ter zake. Ik wilde broeierige blikken van puistige pubers, hitsige bouwvakkers die mij na zouden fluiten.

Iemand met dit voornemen en de discipline van een fruitvlieg rent naar een met zorg uitgezocht fitnesscentrum vol Personal Trainers (PéTé’s voor ingewijden) en laat zich bereidwillig koppelen aan de hunk die kennelijk het beste bij haar past.

En zo ontstond een innige band met een goedgebouwde, humoristische, bloedfanatieke jongeman (want zeven hele jaren jonger dan ikzelf), voor wiens werkzaamheden ik wekelijks met veel plezier een klein fortuin neertel, voor wie ik mij vrijwillig in het zweet werk en die mij tegen mijn eigen verwachting in de meest onnatuurlijke houdingen krijgt. Mijn eigen platonische gigolo.

Aanvankelijk deed ik nog behoorlijk mijn best om er appetijtelijk uit te zien voor de geplande sportlessen, daarbij ontkennend dat een eerste inspanning toch wel een boeirood hoofd en uitgelekte mascara teweeg zou brengen. In rap tempo zijn vervolgens echter alle illusies vervaagd en de schone schijn volstrekt verdampt. Onbeschaamd haal ik tegenwoordig mijn neus op tijdens het sparren en foeter ik op mijn trainer als hij me niet zorgvuldig genoeg heeft opgevangen nadat ik als een ongecoördineerd kamerolifantje uit de klimwand ben gevallen. Waarop hij antwoordt dat ik dan ook niet moet bewegen als een oud wijf. Nou ja, ik zie het hem denken. Daarnaast vertel ik hem alle gênante, chagrijnige en zorgwekkende  gebeurtenissen uit mijn leven terwijl ik kreunend als ware ik Serena Williams sprintjes trek over een veel te groot grasveld.

“Harder, kom op Bob, harder en sneller. Dit kan je beter, dat weet ik!” Ik weet helemaal niets en kan nog minder, enkel nog hem toehijgen dat ik hem dit keer echt haat. In de meest positieve zin van het woord dan. En terwijl hij me grijnzend oplegt de herhaling in te zetten zegt hij dat hij me begrijpt. Een beetje.