Gil de la Bobet

by bobsbrains

[Een verontschuldiging op voorhand voor het hierna gebezigde taalgebruik.]

Krijsend gaat ze tekeer, tegen de liefde, de mensheid, maar vooral tegen hem. Waarna er uiteindelijk een schot klinkt. Explosief temperamentvol tot ze er bij neervalt. Maar zienderogen zo enorm opgelucht. En zo mooi, zo enorm aantrekkelijk, juist door die uitbarsting. Op de veilige afstand van mijn beeldscherm althans. Want in werkelijkheid deert het de feeks niet dat ze haar geliefde zojuist weer tot wanhoop heeft gedreven.

De heerlijke ambivalentie van dit soort grillen heeft mij altijd een beetje gefrustreerd. Nou ja, de afwezigheid daarvan in mijn karakter dan. Of het nou Penelope Cruz is in ‘Vicky Cristina Barcelona’ of Kathleen Turner in ‘The war of the roses’, bij het kijken naar de tirades trok er tot voor kort altijd een steek van jaloezie door mijn lijf. Furie voor één dag; de woedeaanval voelen opborrelen als een scheikundeproef en die vervolgens laten uitbarsten zonder op voorhand na te denken over de consequenties. Die sensatie ervaren moest toch wel opwindend zijn. Maar de hoop op het vergaren van die spontane karaktertrek had ik al laten varen. De laatste keer dat bij mij een gevoel van woede was ontstaan kon ik mij niet heugen en de bijbehorende eruptie lag sowieso ver vóór mijn geboorte. Het najagen van de ambitie om een dergelijk gevoel al dan niet kunstmatig te kunnen oproepen leek mij, op mijn leeftijd, bovendien net te geforceerd.

En dus had ik voorbereid moeten zijn. Op het feit dat wensen altijd net iets anders uitpakken dan je ze had voorgesteld, dat de werkelijkheid sowieso altijd anders is dan in de film. Daar waar anderen pilletjes krijgen toegediend om een te veel aan manische uitspattingen in de kiem te smoren, krijg ik sinds kort op geheel kunstmatige wijze –en kennelijk vrijwillig- een roekeloze dosis opvliegendheid in mijn lijf gepompt. Wee alle mannen die zich ooit hebben laten verleiden door enig vrouwelijk schoon. Als ik mijn vriendelijke –mannelijke- gynaecoloog mag geloven, schuilt in al mijn seksegenoten een uitzinnig gehalte licht ontvlambaar materiaal, onder de noemer “vrouwelijke hormonen”. Deze zijn door mijn man inmiddels liefkozend gebombardeerd tot horrormones, aangezien de in mij genestelde “normale” buien zich een weg naar buiten werken als ware ik een linksdragende pruimtabak vretende schroothandelaar in een mislukt travestietenkostuum.

Willekeurige, zondagmorgen, een ogenschijnlijk doodgewone brunch. Doorgaans één van onze wekelijkse hoogtepunten. Eitje, verse jus, krantje, croissantje en als kers op de taart een wild purrende poes op schoot. “Noem je dat lekkere muziek? Die godvergeten takkeherrie uit een lang vergeten tijdperk  waar jij alleen ooit aan hebt deelgenomen en dus nog als enige lijpe roepende in de woestijn naar luistert?! En waarom moet het op dat allejezus harde volume? Kan je nou echt alleen maar aan jezelf denken, jij aambeienbeffende klootviool!! Flikker anders gewoon direct het godganse weekend het raam uit, vergeet vooral jezelf niet erachteraan te gooien!” En zo fucking verder en voort. De pleuris is losgebroken, de schade niet te overzien.

Haast fluitend maak ik aanstalten een volgende hap te nemen. Mijn bloed lijkt ineens sneller door mijn lijf te pompen dan gewoonlijk en ik voel me verbazingwekkend goed, verlicht bijna. Op hetzelfde moment moet ik verbluft constateren dat het gezellige godvergetenkolere broodschaaltje aan diggelen op de grond ligt, mijn eikelbijtende echtgenoot zich in kennelijke haast achter de kast heeft verschanst en de doorgaans zo montere pispoes mij angstig door een minuscuul kutkiertje in de keukenkast aanstaart. Dan pas sijpelt de schaamte pijnlijk door mijn lijf en besef ik me: Gil de la Bobet heeft huisgehouden.