Annie, houd jij mijn passie even vast

by bobsbrains

Hallo, dank voor je brief. Als je veel oefent kun je ook schrijfster worden!

Een vaal geworden handgeschreven tekst op de achterkant van een Fiep Westendorp kaart staart me aan. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Het tijdperk waarin ik met een Gronings accent sprak, mode nog bepaald werd door datgene wat onder mijn moeders naaimachine en uit de buurvrouw haar breipennen rolde en zorgen waren gerelateerd aan het aantal knikkers dat ik per dag verloor. Waarin bewondering werd geuit met wijd open mond en ik ervan overtuigd was dat ik Annie M.G. Schmidt, Herman van Veen en Lenie ’t Hart in één zou worden. En in mijn vrije tijd ballerina. In een roze tutu zou ik al zingend pirouettes draaien voor de spiegel van mijn eigen danszaal, terwijl mijn kraai op een schouder meezwierde en ik inspiratie opdeed voor nieuwe verhalen. Later.

Ik twijfelde dan ook geen moment toen wij op school een brief mochten schrijven aan een idool. Een kopie van mijn brief heb ik helaas niet meer. Of ik daadwerkelijk het lef had kan ik me niet herinneren, maar mogelijk was ik nog onbevangen genoeg om de aanhef met “Lieve mevrouw Schmidt” te beginnen. Sowieso gevolgd door pagina’s vol loftuitingen. Op haar fantasie, haar persoon (voor zover ik daarvan toen al voldoende op de hoogte was), op het vak dat zij met zoveel plezier en ogenschijnlijk gemak beoefende. Allemaal in de taal van een dromerige achtjarige. Kortom, “Wat u doet, wil ik ook!”

De vurige hoop op een reactie van mijn idool werd door de volwassenen om mij heen goedbedoeld getemperd, maar gelukkig hebben grote mensen niet altijd gelijk. In mijn herinnering viel De Kaart op een mooie dag door de bus. In de picnickhoek  van onze tuin – een geweldige plek die goed is voor vele afzonderlijke jeugdherinneringen-  vergezeld door mijn moeder, maakte ik hardop  juichend de brief open en las haar de hierboven geciteerde tekst voor, handgeschreven en ondertekend door mijn jeugdheldin zelf. Op dat moment was zij al slechtziend en het feit dat zij ogenschijnlijk de moeite had genomen om zo persoonlijk terug te schrijven maakte deze kaart tot mijn mooiste cadeau. Bij het lezen van haar tekst heb ik me nog stelliger voorgenomen om later ook schrijfster te worden. En misschien nog wel belangrijker, om “bijzonder te worden”. Net als Annie. De kaart heeft jarenlang ingelijst op mijn bureau gestaan, totdat het zodanig door de zon was aangetast dat ik haar noodgedwongen als een waardevol museumstuk in een bureaula heb opgeborgen.

Op mijn elfde verhuisden wij naar een dorp slechts dertig kilometer maar een wereld van verschil verder. Ik werd uitgelachen om mijn rare Groningse accent (terwijl wij in ons oorspronkelijke dorp altijd de “buut’nlanders” bleven omdat mijn ouders niet uut Grunn kwamen en ik het echte dialect niet sprak). Zelfgemaakte broekrokken werden volstrekt gedateerd verklaard door expat leeftijdgenoten die hun kinderjaren al tijden daarvoor van zich af hadden geschud. In die tijd van pesterijtjes (geen idee hoe lang het daadwerkelijk was: voor mijn gevoel een eeuwigheid, in werkelijkheid misschien maar een week) leerde ik mijzelf zo snel mogelijk een keurig dertien in een dozijn ABN-etje aan, vermurwde ik mijn ouders tot de aankoop van een Barbara Farber broek en werd ik zelfs de trotse eigenaar van een Oilily jas. Dat de vriendinnetjes uit mijn oude dorp mij nu een kakker noemden deerde mij niet. Ik hoorde er bij. En dat voelde goed.

Recentelijk realiseerde ik me pas dat die periode waarin ik plotseling zo graag ergens bij wilde horen tevens een keerpunt heeft ingeluid. Ik heb mijzelf toen voor het eerst vrijwillig in een keurslijf gehesen. Een korset waarin ik zo min mogelijk buiten de lijntjes wilde kleuren, zo veel mogelijk excentrieke kantjes heb weggeschaafd. Dat klinkt mogelijk veel erger dan het is.  Sterker nog, ik ben mijn ouders altijd erg dankbaar geweest dat ze mij een volstrekt onbezorgde tijd op het platteland hebben gegund en op tijd richting de stad zijn vertrokken. Deze conclusie zal mogelijk dus ook door mijn naasten worden ontkend (niet in de laatste plaats omdat ik tijdens mijn studententijd nog rustig in een rode tuinbroek naar college ging, hetgeen vrees ik meer was te wijten aan mijn gebrek aan modieus instinct dan aan een daad van rebelsheid).

Echter, met die opzettelijke en vrijwillige aanpassing, is onbewust een belangrijk instinct uitgedreven dat blind vaart op een zichzelf leidend goed gevoel. Een emotioneel en vurig kompas dat soms acties teweegbrengt waar mensen hoofdschuddend bij staan te kijken, waar ze je voor waarschuwen omdat het niet in het plaatje past, of omdat ze op dat moment onverstandig of impopulair lijken.  Welke acties je met het juiste instinct zal blijven ondersteunen omdat ze nou eenmaal regelrecht uit het hart komen, niet te stoppen zijn en zo verdomd goed voelen, het idee geven dat je die ene rode pion onder de grijzen bent. Ze doen je bloed kolken en zorgen voor de opwinding die je vroeger had, de nacht voorafgaand aan je verjaardag. En juist zij maken je tot wie je bent. Die ene leuke persoon, of juist die enorm irritante, maar zo verdomd authentieke. En was niet juist dat het instinct dat ik mezelf als achtjarige had beloofd te koesteren? Tot de dood ons zou scheiden?

Sorry, ik was je even kwijt. Vorig jaar sprak ik dit eens uit tegen iemand die er voor doorgeleerd had. Ik zei dat ik nog steeds die droom koesterde bijzonder te worden, waarop zij inlevend antwoordde dat ik die gedachte misschien maar eens moest laten varen. Dat “bijzonder worden” een typische gedachte is die je je als kind inprent, maar die niet tot uiting hoeft te komen in de vorm van het worden van Madonna (om een zijspoor te noemen). Dat ik al bijzonder genoeg was, door datgene wat ik had bereikt. Rust moest vinden. Zich daarmee niet beseffend -of juist wel?!- dat ze door die uitspraak het knikkerende meisje in mij weer had wakkergeschud. Ik moest juist weer bijzonder worden. Bijzonder kinderlijk. Me blijven verbazen, blijven zoeken en ontdekken, baldadig mijn eigen vuur volgen.

Lang heb ik achter mijn eigen staart aangehold, “op zoek naar mijn passie”. En zie daar de paradox: zoeken naar datgene wat automatisch door merg en been trekt als het er is, zich als een virus in lijf en leden vestigt zonder zich te laten stoppen. Maar ik bleef zoeken. Totdat ik vorige week het hele huis doorploeterde voor een onvindbaar document en tegen beter weten in een archiefdoos opendeed die al minstens tien jaar stond te verstoffen.

26 augustus 2000

Beste [Bob],

(…) Hoewel het nooit de voornaamste doelstelling van een goed interview moet zijn om de geïnterviewde te plezieren, is er niets op tegen als hij of zij blij is met de uitkomst. (…) Jij had het in je brief over jezelf als “journalist onder aan de ladder” . Klim verder omhoog, zou ik zeggen. (…)

De kaart van een schrijver, ex-diplomaat, die ik ooit voor een studentenblad had geïnterviewd. De schellen vielen van mijn ogen en ik werd overvallen door geluksgevoel. De jubelstemming waarin ik verkeer bij het horen van andermans verhalen is onovertroffen. Ik dompel me bij voorkeur onder in bewondering voor anderen, of ze nou Annie M.G., Paul S., Erwin O. of Buurman heten. Ik verslind passies van anderen alsof het een driesterren diner betreft. Telkens een nieuwe schatkist waar je zomaar een greep uit mag doen. Dát is altijd de rode draad geweest. Een Eureka gevoel heeft me in de houdgreep. Het is nog niet te laat, nog lang niet.