Te lijf

Lijf,

We trekken al een jaartje of vijfendertig gezamenlijk op. En ik verwacht dat we nog minstens het dubbele op elkaar zijn aangewezen. Mooier word je er niet op, flexibeler allerminst. Maar dat accepteer ik, gaandeweg. Voordat we verdergaan moet me echter wel één tot op heden onuitgesproken punt van kritiek van het hart. Ga zitten.

Ik heb me bij mijn beste weten altijd coulant opgesteld jegens jou: mijn beenlengteverschil heb ik zwijgend geaccepteerd (als gevolg waarvan mijn podoloog van me eist dat ik zelfs in mijn badslippers nog zolen leg, maar mij hoor je niet klagen). Je valt me als sinds mijn zestiende lastig met een huid als een maanlandschap, maar wederom geen woord daarover (gelukkig heb ik mijn Liefde om de tuin kunnen leiden op de dag dat ik razendgoed in mijn vel zat). Bovendien is diezelfde huid driehonddrieënzestig dagen per jaar doorschijnender dan een boterhamzakje, zodat het bij de eerste zonnestraal van het jaar van schrik de kleur krijgt als een verschroeid insect onder een vergrootglas. Scheve tanden, platvoeten, O-benen, slechte ogen, evenwichtsproblemen, slechte rug, ik herhaal, niet erg.

Maar, lief lijf (ja, cynisch), één ding is onacceptabel. Dat jij blijft afbreken wat door mij (met enige assistentie) telkens zo hartstochtelijk wordt opgebouwd. Aanvankelijk zeiden we nog, wens van de natuur, het moet zo zijn. Mijn achterwerk. Ik heb je wel door (“mannetje” laat ik deze keer maar achterwege). JIJ bent hier de oorzaak van onze problemen: jaloers, kinderachtig, achterbaks zelfs. Als het aan jou ligt is de kans dat zo’n achtcellige ooit door jouw procedure komt kleiner dan dat ik een Grammy krijg voor beste vrouwelijke vocalist. Maar zo zijn we dus niet getrouwd.

Ik heb altijd alles gedaan wat ik kon om tenminste op jouw gastvrijheid te kunnen rekenen: gezonde levensstijl als dat nodig was, zorgvuldige feestvoorraad voor het doorkomen van de saaie dagen. Offers gebracht door te sporten als we goed voor de dag moesten komen (jij geniet toch ook nog steeds van fluitende bouwvakkers en de steeds zeldzamer wordende starende opgeschoten jongens?!). Rust als de rek er wat meer in mocht zitten, of er juist uit was. En omdat je nou eenmaal een product bent van zowel mijn vader als mijn moeder, ben ik voor assistentie bij de voortplanting begonnen bij een degelijk ziekenhuis, om pas na een paar jaar schoorvoetend (en, meende ik, na een degelijke introductie bij jou) aanvullende alternatieve hulp te zoeken. Stoïcijnse artsen, meelevende apothekers, een ietwat vage acupuncturist, de meest nuchtere magnetiseur die men ooit zal tegenkomen (volkszanger past hem ook), wazige verkoopsters in gezondheidswinkels (“jij moet dus echt veel meer naar je jing energie luisteren. Zeewier en zwart voedsel zijn vanaf nu jouw toverwoorden”), ongevraagde adviseurs. Allen hebben de revue al gepasseerd. Dankzij jou. En jij mij steeds maar doen geloven dat we weer een stap verder in de goede richting zaten. Steeds gaf je mij, ons (ja, je dupeert meerdere mensen, Lijf), weer net wat extra valse hoop. En nooit gaf jij je eens bloot, altijd was jij maar de beste, meest schijnheilige leerling van de klas. Want ieder onderzoek wees telkens uit dat “Uw lichaam echt fantastisch functioneert, mevrouw. Theoretisch zou het allemaal gewoon moeten kunnen als u begrijpt wat ik bedoel”. Nou hoor je mij daar overigens niet over klagen, begrijp me niet verkeerd. Aan mijn lijf geen aanvullende polonaise.

De harde werkelijkheid zag ik deze week pas echt onder ogen, na de zoveelste dolksteek van jou: ik word genadeloos gepest door mijn eigen vlees en bloed. Je bent een egoïstisch kreng dat geen gezelschap duldt. Laat me je dit vertellen: ik pik dat niet. IK ben hier de baas. Zonder mij had jij geen recht van spreken. (Toegegeven, zonder jou was ik ook wat kaal, maar dat doet nu niet ter zake.) Heel even heb ik, toen ik daarachter kwam, nog gepoogd je te begrijpen, me in te leven in jou (hoe noemt men zoiets, corpologie?). Totdat jij het in je botte lijf haalde om mij nog alle klachten te laten ondervinden van een zwangere vrouw terwijl dat inmiddels echt volstrekt onnodig was. Echt, ik lag al belletjes te blazen onder de modder, maar jij moest en zou me verder onderdrukken.

Jij wilt dus duidelijkheid?! Hier heb je je toverwoord: Oorlog. Fluwelen handschoentjes door de gehaktmolen en spelregels door de plee. Wij zijn geen vrienden meer: wil je chocola dan krijg je levertraan, wil je feesten dan ga ik slapen. Jij vliegt tegen de muren op omdat je beweging nodig hebt, ik kijk de herhaling van ‘Sterren springen door het ijs’. Ik ben hier de baas. En weet, bij dienstweigering zoek ik gewoon een ander. Je denkt toch zeker niet dat je uniek bent.