Verrassing!

Onlangs las ik het boek Do Improvise. Ik zag mezelf als iemand die van improviseren houdt en het leven graag op zich af laat komen. Met veel plezier nam ik de anti-blokkeer-tips tot me -sta voor alles open, observeer meer, zeg “ja en” in plaats van “ja maar”, las ik over verandertechnieken -als iets of iemand je van je stuk brengt, zie het als een kans, in plaats van een blokkade- en leerde vooral dat er voor een bepaalde situatie altijd meerdere oplossingen zijn. Zolang je er maar voor openstaat. Op de werkvloer hield ik de wijze woorden uit het boek in mijn hoofd en probeerde ze toe te passen, thuis voegde het weinig toe. Tot gisteren.

Met mijn steeds kleiner wordende handdoek nog om mijn natte lijf (of wordt dat laatste per dag een stukje logger) dringen de zinnen tot mij door die nog niet vaak tot een verbetering van mijn dag hebben geleid. “Wil je eerst het goede of het slechte nieuws”, schreeuwt mijn (op dat moment nog) geliefde echtgenoot mij vanaf een verdieping lager toe. “Doe maar het slechte”, roep ik terug terwijl ik me met moeite in een panty hijs maar tegelijkertijd al de trap al probeer te hollen en me daarnaast afvraag waarom we altijd naar elkaar schreeuwen vanaf diverse ruimtes terwijl ons dat beiden ergert. Ik weet niet of ik het eerder hoor of zie, maar de lekkage in de toekomstige babykamer dringt in ieder geval te snel in al haar vormen tot mij door. Een bruine straal stroomt harder dan dat ze sijpelt langs de tot voor kort nog stralend witte muur. Heel hard janken schiet als eerste door mijn hoofd, lekker primair en een hoog dramagehalte, maar voordat ik daar de kans toe krijg bevind ik mij al in een workshop improviseren voor gevorderden.

Een zorgwekkend geluid leidt mij naar de deuropening in de aangrenzende ruimte, waar ik door een mist van fijnstof een volledig ondergesneeuwd figuur op een wankele trap het plafond zie uitzagen. Over primaire reacties gesproken. De vloer ligt inmiddels al bezaaid met honderd jaar oude rietlagen en minuscule kalkdeeltjes. Opties flitsen door mijn hoofd, waarvan de bijl die verleidelijk naast het keukentrappetje naar mij lonkt even de enige lijkt. Maar ik verman me succesvol. Tot honderd tellen is nog nooit zo snel gegaan. Uiteindelijk pers ik zonder vloeken en op geforceerd neutrale toon de vraag uit wat het beoogde resultaat van deze actie is. Als daar alleen een oergrom op volgt en ik ontdek dat de vreugde van mijn improviseertechniek alsnog plaatsmaakt voor de vurige hoop dat het hele plafond op de toekomstige vader van mijn kind neerdaalt, ren ik naar boven om dit varkentje op mijn manier te wassen. Ondanks mijn aangeboren non-gevoel voor richting probeer ik me alsnog voor te stellen wat er ongeveer boven de babykamer moet zitten. En wonder boven wonder ontdek ik binnen een minuut dat de oorzaak van dit drama zich niet bevindt in een oud plafond maar in een roestige verwarmingsbuis die lekt als jankende hyena. Diezelfde buis was de dag ervoor nog aangestaard door de klusjesman die moest nagaan waarom onze CV ketel niet goed functioneerde, maar kennelijk werd het roest door hem opgevat als esthetisch in plaats van euvel. Inmiddels met jurk aan ren ik schreeuwend naar beneden dat het uitbreken van de berging niet meer nodig is.

Ondertussen blijkt onze poes een stuk hormonaler dan ik en enorm gevoelig voor spanningen. Zenuwachtig draalt ze om me heen en maakt zich schijnbaar ernstige zorgen dat ze vanaf overmorgen slachtoffer zal worden van ongewenst co-ouderschap. In plaats van me te bekommeren over de bruine plekken in de kamer zie ik mijzelf mijn huisdier kalmeren en heb nog oprecht medelijden met haar ook. In de tussentijd is onze vriend de aannemer gearriveerd. Zoenen kan ik hem, een man met een visie! Nadat ik me van mijn taak als koffiedame heb gekweten besluit ik dat het verstandiger is om een stukje te gaan fietsen dan als een loopse teef om de mannen te blijven dralen en hun gangen na te gaan. De frisse lucht doet wonderen en tegen de tijd dat ik terug ben lijkt het werk erop te zitten. De hele verwarming staat klaar voor de sloop en de mannen kijken tevreden. Niets meer aan de hand. Zeggen ze.

Ik bereid me er psychisch op voor dat er boven her en der nog wel een enkel stofje zal liggen. En inderdaad, op de plek waar eerst de verwarming stond, wacht mij een ravage van stof, roestige rommel, modderige waterplekken en een stapel natte handdoeken. Nieuwe verrassing, nieuwe uitdaging. Het kan mij niet deren, deze koningin van de improvisatie stroopt haar mouwen op en gaat vrolijk aan de slag. De kaalgehaalde muur kan immers ook gezien worden als retro, “exposed brick” (in NY al jaren de trend), het sloven met een dikke buik als nesteldrang en het resultaat als teamwork: Geliefde 1 heeft nuttig sloopwerk verricht, Geliefde 2 de finishing touch verzorgd. Dat het woord “vrolijk” hier wel gelezen moet worden als: nadat zij eerst als een wilde heks in haar eentje het hele huis bij elkaar had geschreeuwd, de cv man de hel in had gewenst evenals kortstondig iets vergelijkbaars voor haar echtgenoot, mag aan het geheel geen afbreuk doen. Het improviseerboek zegt niets over vloeken.