Op de sofa

by bobsbrains

– “Eén ding nog. Ik heb last van bewondering.”
– “Mhm.” Gevolgd door een plichtmatig bemoedigend knikje.
– “Als bewondering een talent was, excelleerde ik erin. Schrijvers, kunstenaars, tuiniers, thuiskoks, vrienden. Van elke categorie heeft wel iemand een plekje bemachtigd in mijn cerebrale Wunderkammer.”
– “Tot zover hoor ik hier niet een onthulling van één van je grotere manco’s.”
– “Dat dacht ik ook altijd. Als het lied van Ramses was de bewondering iets moois, een benijdenswaardige eigenschap. Want iemand die bewondert is niet jaloers, kent geen afgunst. Iemand die bewondert gunt.”
– “Maar?”
– “Maar de eigenschap heeft zich tegen mij gekeerd. Als een Trojaans paard heb ik het nietsvermoedend binnengelaten, om jaren later te ontdekken dat het als een larve eitjes onder mijn huid heeft gelegd en mijn eigenwaarde stukjes bij beetjes heeft lamgelegd. Het enige originele wat ik tegenwoordig nog doe is met mijn ogen knipperen, en dat enkel omdat het me overkomt.
[Een verwarde zucht en een ietwat geïrriteerde, vluchtige blik op het horloge]

– “U begrijpt me niet.”
– “Oh meisje je moest eens weten, en boekenplanken vol zelfhulpstudies met mij. Zegt het woord ‘dertigersdilemma’ je iets?”
– Mijn beurt. “Het is absoluut meer dan dat! Ik doe niet aan dertig-in-een-dozijn-crises.”
– Hulpeloos hoor ik hoe mijn stem ondanks mijzelf overslaat. Ik was al zo’n eind op de goede weg. Ik steven immers inmiddels al af op een leeftijd waarin slechts een veertigerscrisis nog haalbaar blijkt (zeg nou zelf, een stuk begerenswaardiger). Tegen beter weten in verkies ik de aanval.
– “Dus u impliceert nu dat ik mij maar beter kan terugtrekken, een enkeltje yoga retraite moet boeken en enkel nog Keltisch zeezout op een glutenvrije boterham moet nuttigen, om vervolgens als herboren de wereld weer in te treden?
[Pijnlijke stilte.]

– “Lichtjaren leek ik vroeger verwijderd van een toekomst waarin ik gelijktijdig sterrenkijker, briljant schrijfster en hersenchirurg zou zijn. Maar onlangs ontwaakte ik uit mijn winterslaap van minstens een decennium, bleek ik ineens de dertig gepasseerd en was ik ergens onderweg bravoure en overtuigingskracht verloren. Waar ik ook keek werd mij duidelijk gemaakt dat een parade van twintigers hun droom wel had nagejaagd en zij mij dus stuk voor stuk voorbij waren gestreefd. Mij verschuilen achter de illusie dat ik op een dag ook bewonderenswaardig werd kon dus niet meer. Bewondering sloeg om in angst, in verlamming. Want wat te doen?”
– “Dus jij vindt jezelf een verliezer. Jij trekt je liever de rest van je leven terug in een grot, samen met al die andere dromers die van dat laatste, en van zelfmedelijden, hun professie hebben gemaakt. Zodat jullie fijn gezamenlijk de rest van jullie jammerende leventjes tegen de afspiegeling van jullie eigen waanbeelden aankijken zonder ooit verdere actie te ondernemen. Hoe pathetisch.”
– “Nou zo zou ik het niet willen brengen.” [Mezelf verwijtend dat dat exact is wat ik zojuist heb gedaan.]
– “Doe het dan ook niet. Je leven tot op heden verdient het nog net niet om te worden verstopt onder een steen. Maar ik vind dat jammeren van jou nogal sneu, al mag ik je dat natuurlijk niet hardop zeggen. Bovendien, zesendertig is het nieuwe vijfentwintig. Je zit nog maar op een kwart van je bestaan en je praat alsof je leven ten einde loopt. Angst is er nou eenmaal en verrassend genoeg blijft het altijd. Het gedijt minstens zo goed als die bewondering van jou, dus zorg maar dat jullie snel vrienden worden. Denk liever ‘En als’ in plaats van ‘Wat als’. En nu eruit, je tijd is om.”

Daar moet ik even over nadenken. Maar de wekker gaat al. Ik lig oog in oog met een luid purrende kat.