Wat in het vat zit verzuurt

by bobsbrains

Gedachten moeten worden uitgelaten. Ze moeten de vrijheid krijgen om zich voort te planten met andere ideeën, oorlog te voeren met tegenargumenten, zich her en der te conformeren aan de heersende leer. Gedachten moeten kunnen worden omgesmeed tot plannen, die op hun beurt worden uitgevoerd. Zo niet, dan tasten ze in het donker, blijven vleugellam en versomberen. Ze gaan knagen, sarren, worden de onruststokers van het brein en tasten het bestaansrecht van andere zienswijzen aan die net lekker op gang dachten te komen. Beschadigen dus ook de persoon achter de geestesarbeid. Wij verzuren als we niet delen. De meesten van ons moeten reacties opwekken, schouderklopjes ontvangen, kritiek ontlokken.

Maar juist in die noodzaak, die wil tot blootstelling, huisvest een innerlijke tegenstrijdigheid. Zat het idee in het hoofd nog veilig gedompeld onder een enorme schuimlaag, warm water stromend langs de lendenen, buiten is het vogelvrij. Naakter dan ooit, rillerig en weerloos. En kennelijk juist zo stellig. Immers, ijdelheid heeft geleid tot uiten, dus staat de persoon in kwestie erachter. Ogenschijnlijk. De buitenwereld beseft zich onvoldoende dat de gedachte pas echt vorm krijgt wanneer ze eenmaal buiten is, zich mogelijk nog zou willen aanpassen maar tegelijk ook een zekere zekerheid wil uitstralen. Want zonder standpunten door het leven gaan is te neutraal. Aldus jij. Er is een onnavolgbaar dunne scheidslijn. Tussen ijdelheid en angst. Noodzaak en bescheidenheid. De hang naar het verkrijgen van erkenning versus het perfectionisme dat de gedachte bij voorkeur blijvend koestert als “concept”. Eeuwige vraag wie de strijd wint. Voor enkelen is die strijd bij voorbaat al geleverd, het uiten een urgentie. Velen gunnen zichzelf altijd te veel bedenktijd. Funest. Net als ontbijten voor het hardlopen, het water voelen voordat je de duik neemt, om de hoek van het gordijn kijken alvorens het toneel te betreden. Te veel tijd, waarin de negatieve gedachte bijna altijd overheerst en de persoon tot uitstel verleidt.

En wat dan? Wat als de ijdelheid het niet wint van de vrees, de bescheidenheid, het perfectionisme? Is er nog plaats voor de “introverten” in deze tijd waarin zelfs de meest nietszeggenden zich de overbekende “fifteen seconds of fame” kunnen toe-eigenen zolang ze maar durven. Zolang ze een ontblote tiet de wereld in katapulteren of iets populistisch roepen over buitenlanders. Wat gebeurt er met de geweldige creatievelingen die introvert zijn, en tot overmaat van ramp niet het uiterlijk van een topmodel hebben (of bereid zijn zich dat aan te laten meten)?
Een gesprek met een man die meende verstand te hebben van dit onderwerp, leidde niet tot optimisme. “Men wil gewoon een leuk smoeltje op de kuvver, zo werkt dat tegenwoordig. Verder moet ze natuurlijk nog wel iets te melden hebben. De tijden van het eenzame zolderkamertje zijn nou eenmaal voorbij.” Dat deed zelfs bij mij, niet bepaald het prototype feminist en zelfs nog wel in voor een seksistische grap op zijn tijd, de behoefte rijzen hem op zijn smoelwerk te slaan. (Eentje dat ook zonder klappen al niet veel om het lijf had overigens.) De eerste mannelijke schrijver waarbij primair aandacht wordt besteed aan zijn “leuke smoeltje” moet ik nog tegenkomen. Dat zei ik hem en overwoog daar nog aan toe te voegen waarom hij eigenlijk zelf niet verder was gekomen dan het geven van schrijfcursussen zonder ooit een debuut te hebben uitgebracht. Maar toen had de man al geveinsd een bekende aan de andere kant van de zaal te ontwaren.

Helaas vrees ik dat de naarling wel een punt had: Schreeuwers, self-exposers, shockers komen in deze tijd makkelijk aan een publiek. Veel moet snel en luid en voor achterblijvers en bezinners is niet altijd even veel ruimte. Tegen de tijd dat zij voorzichtig hun hoofd om de hoek steken zijn ze al meermaals voorbij gedenderd. Anderzijds staat die laatste groep er gelukkig niet helemaal alleen voor, omdat de snelheid tot op zekere hoogte op zijn retour is, of tenminste een tegenbeweging kent. Een groep die de toegevoegde waarde van introverten onderkent en hen de ruimte geeft.

Ik pleit ervoor beide groepen de ruimte te geven: de schreeuwers en de schuifelaars. Opdat ook aan de laatsten de mogelijkheid wordt gegund hun gedachten af en toe aan het daglicht te laten snuffelen, zich te voort te planten met andere schuifelaars. Of her en der met een schreeuwertje, wie weet waar dat toe leidt.