Grazen

by bobsbrains

tree

“Nietsontziende wekker slacht personages af”. Het gevoel is zo sterk dat ik bij ontwaken het gemis niet accepteer. De woorden klonken niet als muziek in de oren, zij waren de partituren. Karakteromschrijvingen boden zich aan als gewillige hoeren. De wereld kreeg extra continenten ik had de primeur. Alles was prachtig en alles was weg. Naarstig ruk ik de nog dromerige registers open, ren als een bezetene rondjes in het gras van mijn geheugen, neus op de grond als een bloedhond. Maar het enige dat ik hervind is mijn sjofele staart.

Het ellendige bewustzijn heeft haar nagels sneller geslepen dan de slaapdronkene zijn ogen. Zij denkt weer na voordat ze doet, bibbert voordat ze brult, heeft verstarring tot kunst verheven. Vervloekt meetlint nooit een seconde uit het oog verliezend. Stephen Fry beschrijft iets dergelijks over zwemmen. De nacht die hem verleidde tot de waan dat hij alle slagen onder de knie had. Zijn armen en benen die de rest van het lijf moeiteloos op sleeptouw namen, water zijn vanzelfsprekende beste vriend. De dag die hem des te harder met de realiteit confronteerde, hij geen sportheld was, zijn mond het water onbedoeld beroerde. Er niet “bij” horen. Op dat moment rampzalig.

Niets is beschamender dan het besef van de beperking. Niets belemmerender. Tegelijkertijd niets eenvoudiger dan de brede rug van het grote excuus. Nee, dan liever het gevecht aangaan. Geen strijdlust beter aangewakkerd dan door de wetenschap dat ze er al zweven, de ingevingen. Vast vindbaar zolang de gewillige geest begerig genoeg blijft grazen.