Dorade?! C’est dorade eh! (deel 2)

by bobsbrains

Voor iedereen die het korte verhaal niet eerder heeft gelezen en nu toch wel benieuwd is: leest en oordeelt (Thema: waanzin, max 1000 woorden)!

scherven van satijn

Scherven van Satijn

“Kom verder, de katten mogen beslist niet ontsnappen.” De deur dreunt achter mij dicht. Aardedonker. “Ik hoop niet dat u allergisch bent? We dachten dat het twee vrouwtjes waren, mijn broer en ik. Tot er nesten vol spartelende wezens lagen. Ze bleven maar komen. Even hulpeloos als verwachtingsvol. Kinderen nog. God, de gedachte dat ik ze zou moeten verzuipen! Geen denken aan, hoort u, geen denken aan! Moordenaars, stuk voor stuk, zij die het opperden. God, wat klets ik nou mal bij onze eerste kennismaking. Excuseer. Alleraardigst van u om aan te bellen. In geen zeventig jaar heeft iemand een stap over deze drempel gezet. Aanvankelijk werd ik daar nog wanhopig van.”

We staan nog in de hal. Mijn ogen raken maar niet gewend aan het donker. Staarten strijken langs mijn benen. Gemiauw, onophoudelijk en oorverdovend. De vrouw blijft praten. Hard maar breekbaar. De helft van haar zinnen raakt bedolven onder ruis. Ik meen iets langs mijn ontblote tenen te voelen glippen en verstijf. Vervloekte zomer. Ik weet dat het plafond hoog moet zijn, haar huis het spiegelbeeld van het onze. Toch voelt het alsof ik zojuist een te nauwe kruipruimte ben ingetrokken. Die geur. Ik realiseer me dat er nog geen namen zijn gewisseld.

Ze pakt mijn arm. Onbedoeld bruusk. “Let niet op de troep. Volgt u mij. Het licht hier is al jaren stuk. Zelf ga ik de trap niet meer op. Met mijn olifantenenkels, olifantenbuik.” Ze lacht in overdreven dikke strepen. “Geef mij uw hand, ik leid u.” Haar lange nagels in mijn vel. “Eén afstapje nog. Zo.” De schemering omhelst me, geeft de vrouw haar gezicht terug. Verschillende rokken over elkaar. Een schijnbaar handgeweven tulband. Alles ooit kleurrijk. Een hoofd dat niet anders kan dan wegkijken. Haar helblauwe oogopslag een eenzaam jeugdig element in een verteerd lijnenlandschap. De vloer bezaaid met conservenblikken, katten, ongedierte en uitwerpselen. Golf van misselijkheid.

“Uw verhuiswagen zag ik natuurlijk wel staan. Nee, ik wist het niet. De buurt en ik staan op afstandelijke voet. Dat hebben ze u ongetwijfeld niet verteld. Ik zie het al staan: “Huis, originele details, groene buurt. Mensenschuwe Nazibuurvrouw met dertig gemankeerde katten. Gemeden als de pest, hardnekkig als een distel.” Dat had het laagste bod nog harder doen blozen dan u nu!” Weer die lach. “U schrikt. Ik zie het wel. Uw ogen plegen hoogverraad. Zodra u de kans krijgt rent u naar buiten, jaagt u de kinderen onder uw rok, grijpt de hond uit de achtertuin en maant uw man het huis te verkopen. Weg te geven zo nodig. Maar u gaat niet. Eerst wat drinken!”

Smerige glazen, rottende wasbak, kraakheldere jenever.

Nee, normaal ben ik niet. Maar wie wel, in hemelsnaam?! Juist in deze buurt, waar maatstaf naast biefstuk in de etalage prijkt. Geen plaats hier voor het kind van een Moffenhoer. Juist daarom ben ik hier nog. De vleesgeworden waanzin. Een kind was ik, hoort u! Prachtig, het keurslijf, u had mij niet herkend! Oneindig lange parelsnoeren, evenzo zoete chiffon rokken en Oxford pumps. Door kroonluchters en roze champagne omringd. Op die leeftijd, het geluk! Het bereed de knieën van de mooiste uniformen, epauletten schitterden waar ik maar keek. Steeds sneller in galop. Alles, alles was voor mij, kleine blonde zonnestraal. Mijn haar zo goud dat het schitterde, zeiden zij. Ogen zo blauw dat er meerminnen in dansten. Ranke handen van knappe officieren beroerden vertederd mijn krullen, stopten mij snoepjes toe, satijnen linten. Zij waren allen mijn ooms. Mijn moeder hun achtergelaten vrouw, vriendin, toekomstdroom. In haar werden oorlogen gestreden, gesneuvelde soldaten gedumpt. Zij maakte de slagvelden draaglijk. Acht jaar was ik, acht! Een meisje dat een mevrouwenmasker op zolder had gevonden.

Ik duld ze niet langer, de afgewende, schuchtere blikken als van onervaren hoerenlopers. Jawel mevrouw, deze buurt ritselt van nieuwsgierigheid en afschuw de zeldzame keren dat ik mij vertoon. Kroost dicht tegen de borst en maar kijken. Die eeuwige blikken!

Ik doe het weer, ik praat te veel. Helemaal sinds de plotselinge dood van mijn broer. Eeuwige monologen bewijzen de innerlijke mens geen dienst. Kom, drink op, drink!

Der Tod und das Mädchen” klinkt nergens zo weergaloos als in dit huis. U bekend? Luister. We waren hier samen, de dag van de bevrijding. Dood en ik, oog in oog. Met ontblote tanden om elkaar draaiend. Ik brieste wild terwijl hij op mij instak, weigerde te verzoeken om zijn vertrek. Ver onder het puin van linten en snoep lag ik bedolven. Levenloos vastgekleefd onder zolen van zware laarzen die maar bleven trappen. Alsof dat ritme de dood zou klonen. Zeventig jaar nu dendert het door mijn hoofd. Herinneringen vreten aan mijn slapen als bloeddorstige wolven. Die haren, mijn vervloekte haren! Plukken, stuk voor stuk uitgerukt, bespuugd. Liever had ik ze eigenhandig uitgetrokken. Het kind vertrok, toen en daar. Zij had moeten blijven! Moeten gillen dat kinderen eksters zijn, afstormen op alles wat glimt. De bekken ver open gesperd voor dat wat wordt ingevlogen. Alles is eetbaar, ook andermans eieren! Maar zij vertrok. Vervloekte haren.

Toe, blijf, dans met mij.”