Graveyard boogie woogie

by bobsbrains

Op strenge toon houd ik een monoloog over “de regels in dit huis”. Ik kijk mijn dochter van zes veelbetekenend aan om de argumenten kracht bij te zetten maar mijn blik wordt beantwoord met een beangstigende leegte. De spraakwaterval heeft haar enthousiasme in één guts verdronken. In een flits schiet Het Kerkhof door me heen. Een lichte paniek overvalt me.

Dag 1 op het Juridisch Loket bij de baggermaatschappij. Een leven geleden. Mijn eerste koffieautomaat gesprek. Opgetogen initieerde ik een praatje tegen de voor mij nog onbekende collega die mijn uitgestoken hand bewust onverschillig liet bungelen. Ik negeerde alle interne alarmbellen en de ongemakkelijke stilte.

“Ik hoorde dat er ook door de juristen veel gereisd wordt. Wat leuk. Die betrokkenheid bij de business en….”

“Zakenreizen leuk?! “Mens je weet niet waar je over praat. Dat vliegen, smerig eten aan boord, hotels, al die culturen….willen altijd iets anders dan wij willen. Wacht maar…”

Een verlossende ping van de automaat als eindsignaal voor koffie en gesprek. Hij griste zijn gepersonaliseerde mok onder het apparaat vandaan en spoedde naar een collega voor een verhitte discussie over voetbal. Zijn naam onthield ik op een manier zoals die niet geschreven stond.

Diezelfde dag vernam ik dat onze afdeling Het Kerkhof werd genoemd door de rest van het bedrijf. Alhoewel die bijnaam een andere reden bleek te hebben, kon ik onze verdieping niet meer los zien van de dood. Afsterving. Een plek waar het lot, als je er te lang verbleef vanzelf zou toeslaan. Niet voor niets zat er minstens één traplengte afstand tussen ons en de “business”, de techneuten. Ruwe bolsters, buitenlui. Juridisch gezien niet altijd even risicoloos, maar daardoor des te leuker. Het liefst verbleef ik hele dagen bij hen, als een klein meisje, met opgetrokken knieën luisterend naar hun verhalen. Het fonkelend licht in de ogen van de mannen als ze vertelden over vroeger. Vervlogen tijden waarin de mannen van staal waren en de vrouwen thuis met smart en snert afwachtten. Feminisme kwam niet in hun woordenboek voor. “Vrouwen worden nou eenmaal ongesteld en kunnen niet overboord zeiken“. Ook die mentaliteit was voor mij realistisch gezien dus onhoudbaar. Maar dat deed geen afbreuk aan de verhalen. Nog niet.

Het gros van deze mannen was uiteindelijk toch gezwicht voor de Vrouw Met Het Aanrecht en had verlaten opgespoten eilanden ingeruild voor het hoofdkantoor en, met pech voor anderen, een managementfunctie. Met een steeds doffer lichtje vanwege stoffige regeltjes en administratief geneuzel.

Lang dacht ik niet aan die tijd terug. Hij zat me om begrijpelijk redenen niet lekker. Ook ik werd steeds doffer. Onverschilliger. Cynischer. Weinig vond ik nog leuk na een paar jaar baggeraar. Behalve dan dat reizen. Die blik in de ogen van mijn dochter deed die periode uit de dood herrijzen.

Tegen hoeveel onbegrijpelijke uitspraken, druktemakerij en uitspattingen van volwassenen kan een kind zich verzetten. Hoeveel kan het aanhoren tot het de afdeling Ouderlijk Loket bestempelt als Het Kerkhof. Of nog erger, totdat het gehoorzaamt zonder paasvuur in de ogen. Het blijft een punt van aandacht tijdens het wekelijks beoordelingsgesprek met mezelf.